De Graaf, Van Miltenburg en Wilders

Wat een domme actie van Eerste Kamervoorzitter Fred de Graaf. Als hij zijn mond had gehouden, was er niets aan de hand geweest. De commissie van in- en uitgeleiding bij de kroning van Willem Alexander, het is een kwestie van niets.

Ik vermoed dat als je in de hoofden van de politieke leiders kijkt, ze het allemaal een prima oplossing vonden van De Graaf. Beetje schuiven met de Kamerleden om Wilders niet op de eerste rang in beeld te hebben. Ik denk dat zelfs Wilders daar niet om gemaald zou hebben.

Maar omdat De Graaf zo ijdel was om uit de school te klappen, kreeg Wilders de gelegenheid om weer eens de zielige buitenstaander te spelen. Beter kan hij het niet krijgen. En daarom konden alle andere politieke leiders niets anders dan op hoge, maar enigszins hypocriete, toon te stellen dat een Kamervoorzitter volstrekt onpartijdig moet zijn. Exit De Graaf en zo snel mogelijk dit incident vergeten, dat is wat zij willen.

Daarom hebben ze geen behoefte aan een debat en zeker niet de behoefte om de rol van Van Miltenburg, de voorzitter van de Tweede Kamer, ook eens onder het vergrootglas te leggen. Het gaat hier niet om het principe van onpartijdigheid van Kamervoorzitters, maar om beeldvorming. En om de schade te beperken. Over tot de orde van de dag.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De Koning als kalkoen

Afgelopen vrijdag kwam mijn dochtertje van zes terug van school. Vlaggetjes op haar wangen geschminkt, oranje shirt aan, een speldje, gekregen van de burgemeester van Utrecht, op haar jasje geprikt. Ik kon het niet nalaten haar wat te plagen. ‘Weet je wat je dinsdag de hele dag moet zeggen: Ik ben een republikein, ik ben een republikein, ik ben een republikein.’ Ik probeerde haar dat moeilijke woord te leren door de lettergrepen te oefenen: re – pu – bli – kein. Uiteindelijk zei ze zoiets als ‘repiklein’.

Het was niet meer dan even wat plagen, want ze is dol op koningen en prinsessen, zoals het grootste deel van het Nederlandse volk het fijn vind om in een sprookje te geloven. Ik ben zelf geen voorstander van de monarchie. Erfelijke troonopvolging, erfenis van het verleden, past niet in een democratie. Toch ben ik geen fanatieke republikein, eerder een pragmaticus die inziet dat het streven naar afschaffing van de monarchie verloren moeite is. Bovendien is de invloed van de Koning in onze constitutionele monarchie zeer beperkt. Achter de schermen is die zo groot als onze gekozen politici dat zelf toelaten.

Ik vind het eigenlijk ook onzin dat er parlementariërs zijn die wel naar de Verenigde Vergadering van de Staten Generaal gaan, maar niet de wettelijk vastgelegde eed uitspreken. Je speelt het spel volgens de regels en als je die regels wilt veranderen dan dien je wetsvoorstellen in. Ik zou veel meer waardering hebben voor republikeinse Kamerleden als ze aan de hand van de hen ter beschikking staande instrumenten een echte discussie over de monarchie zouden voeren.

Intussen doet het Oranjefeest en Koninginnedag me denken aan het Kerstfeest. Weinig mensen geloven nog in de kerk of het Christendom, maar velen, ook ik, vieren het Kerstfeest. Voor de meesten is de geboorte van Jezus een mooi verhaal, maar gaat het vooral om een leuk feest, om samen de kalkoen aan te snijden. Zo lijkt het mij ook met het Oranjefeest. Als je aan mensen vraagt of ze echt willen dat erfelijke troonopvolging onderdeel is van onze regering en onze democratie, denk ik dat een meerderheid daar twijfels over heeft. Maar Beatrix deed het zo goed en het feest is zo leuk.

Zou het geen idee zijn om de monarchie af te schaffen, maar Koninginnedag te handhaven? Wel het feestje, maar niet het staatsrecht, zoals we dat ook met Kerst doen. Wel de kalkoen, maar niet de kerk. Overigens moeten we dan niet een ceremonieel Koningschap overhouden, want dat is een surrogaat-oplossing van republikeinse politici die bang zijn de Oranjegevoelens van de kiezers te kwetsen. Ik zou een Koninginnedag of Koningsdag willen waarop we vieren dat we de familie van Oranje hun vrijheid hebben teruggegeven.

Zoals gezegd, ik ben een pragmaticus. Het zal er voorlopig niet van komen en dat is ook niet erg. Morgen ga ik met mijn dochtertje naar de vrijmarkt in de wijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ad Kaland en Elco Brinkman

Gaat Elco Brinkman, die als voorman van bouwend Nederland tevreden is met het woonakkoord, als fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer wel of niet het kabinet steunen? Doet hij dat wel, dan moet hij de harde oppositie van zijn partijgenoot in de Tweede Kamer negeren. Sybrand Buma heeft zo zijn eigen opportunistische motieven om tegen het woonakkoord te zijn.

Ik vermoed dat Brinkman netjes achter Buma blijft staan en voor lief neemt dat hij als man met verschillende petten als draaitol zal worden neergezet. Daarvoor moeten we terug naar begin jaren negentig. Brinkman was toen de gedoodverfde opvolger van Ruud Lubbers, die toen premier was in het kabinet Lubbers/Kok. De fractievoorzitter voor het CDA in de Eerste Kamer was Ad Kaland, een eigenwijze Zeeuw.

Tegenwoordig wordt er wel eens gezegd dat de Eerste Kamer niet te hoog van de toren moet blazen, maar zich moet beperken tot haar rol van toetsen van wetgeving aan de grondwet, aan internationale verdragen en op uitvoerbaarheid. Het was Ad Kaland die begin jaren negentig de revolutie predikte en de Eerste Kamer vol in de spotlight zette.

Ook toen ging het al over de woningmarkt. Ook toen waren er financiële problemen voor het kabinet en stond er in het regeerakkoord dat het huurwaardeforfait verhoogd zou worden. Kaland stemde tegen. Ook toen was er al discussie over een hervorming van het zorgstelsel, via het plan Simons. Kaland torpedeerde het.

Kaland werd een probleem voor de beeldvorming van het CDA. Lubbers werd daar chagrijnig van. Brinkman voelde zich genoodzaakt zich scherper te profileren als toekomstig leider van het CDA. ‘Het speelkwartier is voorbij’, waarschuwde hij op een bepaald moment het kabinet van Lubbers. Daar werd de premier nog chagrijniger van. Uiteindelijk gaf hij een stemadvies aan kiezers voor Ernst Hirsch Ballin, de nummer drie van de CDA-lijst. Het CDA verloor op dramatische wijze de verkiezingen van 1994, ook door een onhandige presentatie van AOW-plannen, en Brinkman vertrok naar bouwend Nederland. Ik denk dat Brinkman, met dit CDA-trauma in zijn achterhoofd, netjes achter Buma blijft staan, ook al vindt hij het woonakkoord stiekem prima.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Obstructief opportunisme

Het is opvallend dat veel commentatoren positief zijn over het feit dat het kabinet geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer. Dat is goed voor het democratische debat, omdat het regeerakkoord van de coalitie niet meer als dwangbuis van de Nederlandse politiek functioneert. De coalitiepartijen moeten onderhandelen met de oppositie om een meerderheid te krijgen voor belangrijke plannen.

In een ideale situatie is dat ook zo. Politieke partijen hebben verschillende ideologische wereldbeelden die neerslaan in verschillende voorstellen in verkiezingsprogramma’s. Op basis van die programma’s is het de bedoeling dat partijen zoveel mogelijk van hun plannen voor hun kiezers realiseren. In een democratie moeten er daarbij altijd compromissen worden gesloten.

Ik zie een ander mechanisme dat in de Nederlandse politiek steeds belangrijker is geworden, namelijk niet het ideologische mechanisme dat tot aanvaardbare compromissen leidt, maar het opportunistische mechanisme dat geen compromissen wil sluiten, maar het gevaar van obstructie in zich heeft.

Om te beginnen hoeft de coalitie niet te rekenen op de SP en de PVV. Zelfs al zou het kabinet beloven hun hele verkiezingsprogramma uit te voeren, dan nog zouden deze partijen tegenstemmen. Het gaat om de oppositiepartijen waarvan het beeld bestaat dat ze ‘hun verantwoordelijkheid’ durven te nemen. Minister Blok heeft voor zijn woonplannen naar de verkiezingsprogramma’s van deze partijen gekeken en gedacht een akkoord te kunnen sluiten met het CDA.

Op basis van alle plannen is dat geen gekke gedachte. Grote ideologische verschillen zijn er niet. Het gaat om technocratische verschillen in uitvoering en maatvoering. Vooral de fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer was er vanuit zijn rol als voorman van bouwend Nederland veel aan gelegen zo snel mogelijk duidelijkheid te scheppen over de woningmarkt. Dat is goed voor de bouw en voor de Nederlandse economie en het is de gebruikelijke wijze waarop het CDA politiek bedrijft: met oog voor het algemeen belang.

Maar de fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer had daar weinig zin in. Het CDA heeft een dramatische verkiezingsnederlaag geleden en heeft nu een leider die zich nog moet bewijzen. Hetzelfde geldt voor GroenLinks. Dan zijn het partijbelang of de profileringsdrang van de leider belangrijke andere argumenten dan het landsbelang. Ook over Europa heeft Sybrand Buma al een flinke draai gemaakt. Voor de verkiezingen was hij zeer voor een sterker Europa en zette hij zich af tegen een eurosceptische VVD. Nu is hij voor minder macht naar Europa, opnieuw om zich af te zetten  tegenover de VVD, nu Mark Rutte als premier zich zelf minder opportunistisch kan uiten over Europa dan als lijsttrekker van de VVD. En blijkbaar ziet Buma met angst en beven 50plus razendsnel stijgen in de peilingen, terwijl hij die teleurgestelde oudere kiezer aan zich zou moeten binden.

Zulk opportunisme is de laatste jaren bij alle traditionele middenpartijen herkenbaar als ze in de oppositie zitten. Toen Wouter Bos en Jan Peter Balkenende de banken en de Nederlandse economie aan het redden waren, diende Mark Rutte vanuit de oppositie bij de Algemene Beschouwingen een motie van wantrouwen tegen het kabinet in. Dat was uniek in de politieke geschiedenis. Ook Rutte liet zien geen belang te hechten aan het algemeen belang, maar vond pleiten voor nieuwe verkiezingen op een hoogtepunt van de economische crisis voor zijn positie en zijn partij interessanter.

Het is dan niet op basis van verkiezingsprogramma’s of idealen dat partijen standpunten innemen. Alle partijen hebben een programma van hervormingen, bezuinigingen en lastenverzwaringen. Al die maatregelen doen groepen in de samenleving pijn en daarom is er voor de oppositie weinig belang om verantwoordelijk te worden voor die pijn. Want dat kan electoraal pijn doen. Sterker nog, er is een prikkel om de coalitiepartijen zoveel mogelijk te schaden. 

Dat is het spel dat nu gespeeld wordt nu de coalitie afhankelijk is van de oppositie. Als oppositiepartij kun je het beste zo lang mogelijk afwachten. De coalitie moet naar je toekomen. Je moet als oppositiepartij ook geen afrekenbare eisen of voorwaarden vooraf stellen, iets wat je in een normaal onderhandelingsspel wel zou doen. In een normaal onderhandelingsspel heb je van twee kanten een inzet en kom je in het midden uit. Dat is voor oppositiepartijen nu risicovol, want dan zijn uiteindelijk beide partijen verliezer. Het beeld dat je nu wilt is dat op het laatste moment de coalitie naar je toekomt en alle aanpassingen aan de coalitieplannen in de beeldvorming als een verbetering worden gezien.

Als het zo gaat, en we krijgen nog lastige debatten over zorg, onderwijs en bestuurlijke vernieuwing, dan verliest de coalitie steeds in de beeldvorming, maar kan er in ieder geval geregeerd worden. Maar het risico is, vooral met oppositiepartijen die weinig zelfvertrouwen hebben, dat ze helemaal niet willen onderhandelen en weglopen. Zoals Mark Rutte, hij stond toen op een zetel of vijftien in de peilingen, een motie van wantrouwen indiende en Sybrand Buma nu geen verantwoordelijkheid wil dragen voor de woningmarkthervormingen. 

Dan gaat de Nederlandse politiek op de Amerikaanse lijken. De founding fathers in de VS wilden een systeem van checks and balances tussen de president, het huis van afgevaardigden en de senaat, maar het debat in de VS is nu dat door het radicale opportunisme bij vooral de republikeinen, onder invloed van de Tea Party, er helemaal niet geregeerd kan worden. Het doel van de ene partij is de andere zoveel mogelijk dwars te liggen, obstructie te plegen. Met democratie en checks and balances heeft dat weinig te maken.

Datzelfde risico loopt Nederland. Onder invloed van de populistische partijen zijn de traditionele partijen zelf geneigd opportunistisch obstructief te zijn. Zie Rutte in 2009. Zie Buma nu. Voor politieke junkies wordt het een interessante tijd, maar of het politieke debat nu democratischer is en beter voor het land dan in de tijd van regeerakkoorden en coalities met meerderheden, dat durf ik te betwijfelen. Winnen of verliezen in de beeldvorming is nu belangrijker dan het wel of niet steunen van inhoudelijke plannen op basis van ideologische opvattingen en verantwoordelijkheid.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vereniging voor groendemocratische dubbelleden

De afgelopen dagen heb ik mijn administratie gedaan. Ik kwam op de stapel papier de acceptgiro tegen waarmee ik mijn contributie voor GroenLinks moet betalen. Omdat ik als publicist Alexander Pechtold heb geholpen bij het schrijven van zijn boek Henk, Ingrid en Alexander, vragen mensen me geregeld of ik nog wel lid ben van GroenLinks. Dat vragen ze ook omdat ik eerder heb geschreven dat het voor GroenLinks strategisch verstandig zou zijn om samen met D66 het nieuwe politieke midden te definiëren. Hoe dan ook, het antwoord is ja, ik ben lid van GroenLinks. Ik heb mijn contributie betaald.

Ik denk dat ik het ooit ergens gelezen of gehoord heb, ik weet niet meer waar, maar er is een eenvoudig schema dat me aanspreekt. De 19e eeuw was een blauwe eeuw, een tijdperk waarin  de verhouding tussen de staat en de burger is vastgelegd in politieke rechten om de vrijheid van de burger te waarborgen. De 20e eeuw was een rode eeuw waarin met de opbouw van de verzorgingsstaat materiële bestaanszekerheid voor iedereen kon worden gegarandeerd. De blauwe en rode rechten zijn en blijven deel van het politieke debat omdat de omstandigheden veranderen en politieke partijen blijvend van mening verschillen over de invulling van deze rechten. De 21e eeuw moet volgens mij een groene eeuw worden. De toename van de welvaart over de gehele wereld en voor  nieuwe generaties stelt vragen over de uitputting van grondstoffen, de vervuiling van water en lucht en de opwarming van de aarde.

Groene rechten voor mensen nu, maar zeker voor die van toekomstige generaties, kunnen alleen tot stand komen in relatie tot de blauwe en rode rechten. De armere delen van de wereld hebben net zoveel recht op economische voorspoed als het rijke Westen en groene politiek kan alleen succesvol zijn als die democratisch gelegitimeerd is. Omdat ik vind dat er op het politieke speelveld een groene, toekomstgerichte beweging moet zijn, ben ik lid van GroenLinks. Dat neemt niet weg dat ik moeite heb met het functioneren van GroenLinks in de actuele politiek. Het is me iets te links, het schuurt me iets teveel aan tegen de PvdA en de SP, partijen die nostalgisch vast houden aan oude rode rechten. Bovendien is GroenLinks te weinig gericht op de macht, zoekt de partij te weinig het midden van het politieke speelveld met een optimistische hervormingsagenda. Precies daar zit de overlap met D66 en precies daar kan gebouwd worden aan een machtspositie midden op het speelveld. Als groene politiek de komende decennia centraal moet komen te staan, moet je als groene partij niet de flanken opzoeken, maar spelverdeler willen zijn.

Daarom heb ik niet alleen de contributie voor GroenLinks betaald, maar heb ik me ook aangemeld als lid van D66. Van twee partijen lid zijn, lijkt me bovendien een voorbeeld van een pragmatische en liberale houding. Dat moet (delen van) beide partijen aanspreken. Ik het idee dat er veel meer mensen zijn die vermoeden dat D66 en GroenLinks samen een invloedrijkere rol zouden kunnen spelen dan ze nu doen. Noch Sap, noch Pechtold zijn te vergelijken met Lionel Messi die met soloacties het doel weet te vinden, maar ook voor mooie een-tweetjes op het middenveld koop ik een seizoenskaart. Dat heb ik nu dus gedaan. Ik ben vast niet de enige die er zo over denkt. Misschien is het een idee om een vereniging voor dubbelleden van D66 en GroenLinks te beginnen. Word je ook lid?

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Boek: Henk, Ingrid en Alexander

De politiek is een strijdtoneel. Op het toneel kruisen tegenstanders de degens met elkaar over fundamenteel conflicterende wereldbeelden en politieke opvattingen. In plaats van elkaar de hersens in te slaan, vechten zij met woorden. Zo staan Geert Wilders en Alexander Pechtold tegenover elkaar in het parlement. Zo kennen we hen het beste. Het is aan de kiezers achter welke strijder zij zich willen opstellen.

Maar politiek is ook deliberatie, met elkaar praten over wat we gezamenlijk willen bereiken in dit land, welke toekomst we voor ons zien. Politiek is ook een vredesproces. Daarbij weten we dat in de politiek, en hetzelfde geldt voor het bestuur van de voetbalvereniging, in familiediscussies over de vakantiebestemming, in de vakbeweging, in Europa, op elke plek waar we gezamenlijk besluiten moeten nemen, niemand ooit precies zijn zin krijgt. Uiteindelijk moeten we allemaal genoegen nemen met het compromis, met de wapenstilstand, hoe tijdelijk die ook kan zijn.

Juist daarom is het voeren van het gesprek met elkaar zo belangrijk,  niet alleen om de verschillen te markeren, maar ook te onderzoeken waar de overeenkomsten te vinden zijn. Het is daarom dat ik met ongelofelijk veel plezier heb gewerkt met Alexander Pechtold aan zijn boek Henk, Ingrid en Alexander. Ik heb van dichtbij een politicus leren kennen die met passie en met werkelijke interesse het gesprek met kiezers van de PVV is aangegaan. Aan zijn houding en motivatie was niets gespeeld, niets berekenend. Vaak heb ik gedacht toen we weer ergens in het land twee uur met iemand hadden zitten praten: Had hier maar stiekem een camera meegedraaid.

Dit is democratie zoals democratie ook hoort te zijn. Vaak zag ik in de loop van zo’n verhit gesprek dat de wapens botter werden, de tegenstellingen minder scherp, de posities minder hard. Eén van Alexanders gesprekspartners zegt in het boek: ´Het is gemakkelijk om mensen uit elkaar te praten, maar om ze bij elkaar te praten….´ Er is niets mis met politieke polarisatie als die beoogt conflicterende opvattingen helder te krijgen. Maar het is een waardevolle politieke deugd als ook geprobeerd wordt tegenstellingen te overbruggen. Naast de strijd, moet ook altijd de vrede worden gezocht.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Eerst de kippen, daarna de eieren

In de peilingen verliezen CDA en PvdA dramatisch ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen van 2010. Ook GroenLinks staat op verlies.  De traditionele reactie van partijen die op verlies staan is: we moeten ons verhaal op orde krijgen. Dat is nu vooral de mantra bij het CDA en de PvdA. In iets mindere mate geldt dat ook voor GroenLinks. Het is opmerkelijk dat deze partijen op verschillende plekken op het politieke speelveld staan: rechts en links van het midden, wel en niet in het kabinet.

Een helder verhaal en een herkenbare koers helpen zeker bij het behalen van politieke winst. De vraag is of dat verhaal er eerst moet zijn en er vervolgens een leider bij moet passen die het uitdraagt. Dat is wat het CDA nu steeds zegt. We werken aan ons verhaal en dan zoeken we daar later een leider bij. Of moet het andersom? Heb je een politiek leider nodig die ervoor zorgt dat er een koers en een verhaal komt? Eerst de kip of eerst het ei? Ik denk dat de politiek zo personalistisch is geworden dat de kip er eerst moet zijn. Kiezers kijken naar personen. In politieke leiders hebben ze wel of geen vertrouwen.

Kijk maar naar de huidige peilingen. De partijen die het goed doen zijn de VVD, de PVV, de SP en D66. Ook dit zijn zeer verschillende politieke partijen, verspreid over het hele politieke landschap, links, rechts, in en buiten de regering. Wat deze partijen gemeen hebben is een onbetwistbare politieke leider: Rutte, Roemer, Wilders en Pechtold. Het CDA heeft geen leider en de posities van Cohen en Sap zijn niet onbetwist. Mijn advies voor het CDA is daarom: los eerst de leiderschapskwestie op. Al het andere volgt vanzelf. Het advies aan de PvdA en GroenLinks is: werk aan de merknamen Cohen en Sap en vergeet voorlopig de merknamen – het verhaal – van de partij. Eerst de kippen, daarna komen de eieren.  Met als belangrijkste les dat voor kiezers de leider hetzelfde is als het verhaal. Voor kiezers is de politieke kip het ei van de partij.

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen